“De onderwijspijler wordt vergeten in de discussie”


Door

Archief

Vlaamse studentenvertegenwoordigers waarschuwen dat onderwijs vergeten wordt in de discussie over de jobzekerheid van academici. "De huidige verdeelsleutel beloont voornamelijk de sterkste onderzoekers, niet de strafste onderwijzers."

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 26/02/2018 – 9:12 door

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Van Knack tot De Stan­daard, je kon geen enkele krant openslaan of je zag de afgelopen weken een opini­es­tuk over uni­ver­siteit­en, onder­zoek en financier­ing. Zow­el prof­fen en vak­bond­safgevaardig­den als doc­tor­an­di traden geza­men­lijk naar voren om de pijn­pun­ten in de financier­ing van ons fun­da­menteel onder­zoek aan de kaak te stellen. En terecht. Het is geen dis­cussie die zomaar uit het niets is ontstaan, de hoge werk­druk en com­pet­i­tiviteit aan de Vlaamse hoger onder­wi­jsin­stellin­gen hebben zichzelf in de loop der jaren bij­na tot een axioma ver­heven.

Kort door de bocht gesteld, het financier­ingsmod­el voor onder­zoek baseert zich op één kern­wo­ord: kwan­titeit. Er is een vast bedrag voorzien voor de financier­ing van de ver­schil­lende onder­zoek­spro­jecten, en meer onder­zoek­spro­jecten voor de ene uni­ver­siteit of vak­groep beteke­nen een ver­lies voor de ander. Het resul­taat is ettelijke nachtelijke uren ver­spild aan paperassen voor het indi­enen van pro­jecten én de cre­atie van een bikkel­harde con­cur­ren­tie tussen de uni­ver­siteit­en.

“Een uni­ver­siteit ste­unt op twee grote pijlers: onder­zoek en onder­wi­js”

Een uni­ver­siteit ste­unt echter niet op één, maar op twee grote pijlers: onder­zoek en onder­wi­js. Deze eerste pijler staat op wanke­len, en de dis­cussie over fun­da­menteel onder­zoek is broodnodig. De tweede pijler lijkt in deze dis­cussie schi­jn­baar ver­geten, hoewel onder­zoek en onder­wi­js zeer nauw met elka­ar ver­bon­den zijn en elk hun maatschap­pelijke rol vervullen. Lat­en we de pijlen nu richt­en op deze tweede kern­taak, want ook deze pijler brokkelt al enkele jaren stilzwi­j­gend af.

Twee fundamentele pijlers, één debat

In de prak­tijk kun­nen onder­zoek, onder­wi­js en hun financier­ing onmo­gelijk los van elka­ar bespro­ken wor­den, gezien deze aspecten ‘op de werkvlo­er’ hand in hand gaan en vaak in elka­ar overvloeien. In som­mige fac­ul­teit­en is het stilzwi­j­gend aan­vaard dat onder­zoeksmid­de­len ingezet wor­den voor onder andere practicum­ma­te­ri­aal voor onder­wi­js, net omdat de reg­uliere mid­de­len onvol­doende zijn.

“Jonge onder­zoek­ers voeren meer onder­wi­j­sop­dracht­en uit dan de bedoel­ing is”

Een grot­er prob­leem vin­den we bij jonge onder­zoek­ers die zeer regel­matig een grot­er aan­tal onder­wi­j­sop­dracht­en uitvo­eren dan werke­lijk de bedoel­ing is. Zo zijn er prof­fen en post­docs die 80 pro­cent van hun tijd met onder­zoek bezig dienen te zijn, en slechts 20 pro­cent met onder­wi­js. Recente bevragin­gen tonen echter aan dat de meerder­heid van onder­zoek­ers sys­tem­a­tisch meer tijd aan onder­wi­js besteedt dan con­tractueel vast­gelegd, om toch maar in staat te zijn kwal­i­tatieve lessen en begelei­d­ing te voorzien. Geen won­der dat maar lief­st één op de drie doc­tor­an­di worstelt met ern­stige men­tale gezond­hei­d­sprob­le­men. Daar­voor mogen we niet enkel vinger­wi­jzen naar de onder­zoeks­fi­nancier­ing, ook de per­verse effecten in de gebrekkige onder­wi­js­fi­nancier­ing en de beperk­te hoeveel­heid beschik­baar per­son­eel dra­gen deels de schuld.

Bij het totaalplaat­je van de financier­ing blijkt onder­wi­js vak­er wel dan niet aan het kort­ste eind te trekken. De huidi­ge verdeel­sleu­tel beloont voor­namelijk de sterk­ste onder­zoek­ers, niet de straf­ste onder­wi­jz­ers. Wie veel tijd steekt in onder­wi­js is niet aan het pub­liceren en dit lev­ert weinig op voor de vak­groep én de eigen loop­baan.

Let’s talk about education, baby

Onder­wi­js­fi­nancier­ing kampt eve­neens al jaren met pijn­lijke teko­rten. Tussen 2011 en 2015 bespaarde de over­heid zo’n 90 miljoen op de werk­ings­bud­get­ten van de hoger onder­wi­jsin­stellin­gen. Los van deze bespar­ing werd er bij dezelfde bud­get­ten jaar­lijks slechts een gedeel­telijke index­ering doorgevo­erd, waar­door de instellin­gen 216 miljoen aan hun neus voor­bij zagen gaan. Peu­len­schil toch? Daar­naast een vijf­tal miljoen ver­loren hier, nog eens 4 miljoen bespaard daar. Deze getallen lijken miss­chien een ‘ver-van-mijn-bed­show’: de prof staat immers in de meerder­heid van de gevallen nog steeds voor de aula en de uni­ver­siteit staat toch niet in brand? Niet elk prob­leem staat echter in rode let­ters op de muren gekalkt, vak­er zijn de prob­le­men in een hoek­je ver­sc­holen of vreest men negatieve reclame om hier­mee naar buiten te komen.

“Is excel­lent onder­wi­js niet echter óók een streef­doel van elke uni­ver­siteit?”

Want negatieve reclame, dat kun­nen de onder­wi­jsin­stellin­gen mis­sen als de pest. Net als de onder­zoeks­fi­nancier­ing is ook de onder­wi­js­fi­nancier­ing deels bepaald door een vaste koek, verdeeld over alle instellin­gen. Meer cen­ten voor de ene instelling omdat ze meer stu­den­ten aantrekt, resul­teert onher­roe­pelijk in min­der cen­ten voor de andere instelling, zélfs al is hun aan­tal stu­den­ten ook gegroeid. Com­pet­i­tiviteit staat niet enkel cen­traal bij onder­zoek, maar ook bij onder­wi­js. Geen won­der dat geen enkele instelling naar buiten wil komen met lekkende dak­en, ver­oud­erde pre­fab gebouwen en kelder­lokalen. Nochtans is dit een realiteit voor de meeste onder­wi­jsin­stellin­gen. De finan­ciële bij­drage van de over­heid om het onder­wi­js­pat­ri­mo­ni­um te onder­houden dekt in werke­lijkheid slechts 20 pro­cent van de werke­lijk kost. Daar­bij spreken we dan enkel over onder­houd, en niet de financier­ing van de nieuwe gebouwen, waar deze onder­fi­nancier­ing een van de rede­nen was waarom de VUB in 2015 de stap naar de oblig­atiemarkt maak­te.

Niet alleen de infra­struc­tu­ur, maar ook het aan­bod staat onder druk. Zo verd­ween vorig jaar de oplei­d­ing Slav­istiek aan de KULeu­ven, rel­e­van­ter dan ooit in de huidi­ge wereld­prob­lematiek. Als offi­ciële reden werd aange­haald dat de inschri­jv­ingsaan­tallen te laag waren, maar er werd eve­neens geop­perd dat het finan­ciële aspect een rol speelde. Dit is slechts het meest recente voor­beeld in een reeks van verd­we­nen oplei­din­gen waar finan­ciële argu­menten telkens de doorslag gaven. Toch resul­teert deze gradu­ele ver­arm­ing van ons onder­wi­js­land­schap slechts beperkt in een kri­tisch debat.

De voor­bi­je paar jaar is de go-to oploss­ing voor onder­wi­jsprob­lematieken immers een een­ma­lige of tijdelijke oploss­ing gewor­den, waar­bij telkens een spreek­wo­ordelijke pleis­ter op de zere wonde geplakt wordt en het fun­da­mentele prob­leem onbe­han­deld bli­jft. Het is nu een­maal makke­lijk­er om dit te negeren, en telkens maar weer brand­jes te blussen wan­neer ze opsprin­gen en vol­doende pub­lieke aan­dacht kri­j­gen.

Het is niet meer dan logisch dat onder­zoek­ers de afgelopen weken luid en duidelijk aan de alarm­bel trokken. Fun­da­menteel onder­zoek vervult immers basisnoden in onze maatschap­pij. Is excel­lent onder­wi­js niet echter óók een streef­doel van elke uni­ver­siteit, en het uithang­bord naar de maatschap­pij toe? Dient dit dan niet weer­spiegeld te wor­den in de verdel­ing van de finan­ciële mid­de­len en een eigen plek­je te kri­j­gen in het pub­lieke debat?


Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *