“Het wordt ons aangeleerd om niemand te vertrouwen”


Door

Archief

Na 'Black', zijn stuk over het kolonialisme in Congo, laat regisseur Luk Perceval zijn licht schijnen op de Belgische collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Woelig theater in woelige tijden: nog een geluk dat Perceval ook yogaleerkracht is!

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 14/03/2021 – 10:22 door Six­tine Bérard­Bil­lie Thiessen

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Er is nood aan zek­er­heid en zorgza­amheid in een kun­sten­veld dat meer dan ooit gekarak­teriseerd wordt door pre­cariteit. Hoe kijkt u, als geves­tigd regis­seur, naar die sit­u­atie?

Ik ben free­lance regis­seur. Dat maakt mij afhanke­lijk van opdracht­en die wel of niet plaatsvin­den. Voor mij betekent de COVID-19-cri­sis dat ik de komende drie jaar de helft van mijn inkomen ver­lies. Ik vind het hoe langer, hoe meer onrecht­vaardig. Op de Meir kun je over de kop­pen lopen, en in Berli­jn bijvoor­beeld zit je net zoals hier op over­volle metro’s en treinen. Dat is alle­maal geen prob­leem? Ik heb geen begrip voor de houd­ing van de advis­erende virolo­gen. Ik begin trouwens steeds meer te twi­jfe­len of zij wel weten waar ze mee bezig zijn.

Heeft uw yogao­plei­d­ing uw manier van regis­seren en samen­werken met acteurs beïn­vloed?

Yoga is niet iets dat mijn regis­seren van de ene op de andere dag heeft veran­derd. Toneel spe­len, zoals lev­en op zich, is op zoek gaan naar een inner­lijke vri­jheid. Voor een acteur, gaat dat over de vri­jheid van een spe­lend kind. Het ver­schil tussen een kind en een vol­wassene is immers dat een kind speelt. Of er nu iemand op zit te kijken of niet, het zal dat kind worst wezen. Een vol­wassen acteur weet dat er pers en pub­liek komt kijken, die is zich veel meer bewust van zijn effect. Heel veel acteurs zijn daar­door onzek­er. Ze lij­den aan stress en bezwijken onder druk, daar­door ver­vallen ze soms in escapisme. Er is een verwacht­ingspa­troon, zek­er als je geld moet ver­di­enen en daar­voor afhanke­lijk bent van de mening van het pub­liek.

Yoga is de weg van de aan­vaard­ing van het moment. The­ater is een gemeen­schap­skun­st: er zijn alti­jd veel mensen rond me heen. Die bren­gen alle­maal hun prob­le­men mee en dat komt alle­maal samen: begin dan maar cre­atief te zijn. Dat kan alleen vanu­it een vorm van aan­dacht en respect voor elka­ar. Yoga leert je te zeggen: “Kijk, luis­ter en leer vanu­it je impuls te rea­geren in het hier en nu.”

“Of er nu iemand op een spe­lend kind zit te kijken of niet, het zal dat kind worst wezen”

U maak­te vorige eeuw furore met ‘Ten oor­log’. Tien­tallen jaren lat­er spreekt het jong col­lec­tief Camp­ing Sun­set in het tijd­schrift Etcetera de wens uit om met die tekst aan de slag te gaan. Wat zou u willen zeggen aan de jonge garde?

Ik zou hen zeggen: doen! En zo leren. Die gas­ten komen net van jaren school en nu moeten ze zoeken. Ik ben nooit naar een school gegaan voor regis­seurs: kun­st is de waarde van het knoeien. Vol­gens mij leer je alleen van je nieuws­gierigheid. Kun­st is steeds verder zoeken en onder­zoeken.

Hoe kijkt u nu terug naar die pro­duc­tie?

Dat is een heel belan­grijke pro­duc­tie geweest voor mij. Dankz­ij ‘Ten oor­log’ heb ik de kans gekre­gen in het buiten­land te werken. Tegelijk­er­ti­jd zou ik er een heel boek over kun­nen schri­jven (aarze­lend). Er zijn vriend­schap­pen ver­bro­ken, er zijn vre­selijke din­gen gebeurd tij­dens de repeti­tiepe­ri­ode.

Het is natu­urlijk ook wel een onver­getelijke ervar­ing geweest voor iedereen die erbij betrokken was. Die pro­duc­tie heeft mythis­che vor­men aangenomen die ik over­dreven vind. Ik ben dankbaar dat ik het kon mak­en en meemak­en maar tegelijk­er­ti­jd denk ik ook: dat zijn din­gen die zijn kun­nen ontstaan buiten mijn tal­ent om. Elke dra­maturg zei me: dat zijn de stukken van Shake­speare die nie­mand wil spe­len! Iedereen verk­laarde ons gek! Maar ik ben heel blij om te horen dat iemand anders (The­ater­col­lec­tief Camp­ing Sun­set, red.) het gaat doen.

Het eerste deel van uw trilo­gie, ‘Black’, werd door his­tor­i­ca Heleen Debeuck­e­laere beschreven als een “clum­sy but well-inten­tioned step in an ongo­ing con­ver­sa­tion [on decoloni­sa­tion]” Hoe posi­tion­eert u ‘Yel­low’ in deze “ongo­ing con­ver­sa­tion”?

Er vin­dt in heel de wereld een ver­rechts­ing plaats. Ik vind het angstaan­ja­gend dat die ver­rechts­ing geïn­stru­men­taliseerd wordt. Er wordt gezocht naar hoe we mensen een poli­tieke voorkeur kun­nen inle­pe­len, aan de hand van Google Ana­lyt­ics en de frus­traties van mensen. In Vlaan­deren is die ver­rechts­ing ook echt gecul­tiveerd – die slachtof­fer­rol van Vlaan­deren! Dat ze ‘het kind van de reken­ing zijn’, dat ze ‘wer­den ingezet als kanon­nen­vlees’ – de Vlam­ing is een sukke­laar. Die slachtof­fer­rol wordt ver­heer­lijkt door, het­z­ij de demonis­er­ing van de fran­skiljons die ‘van ons prof­iteren’, of onder­tussen: de migranten.

Heeft de actu­aliteit – of maatschap­pelijke (her)opflakkeringen uw idee for ‘The Three Sor­rows of Bel­gium’ geboet­seerd?

Dat idee is eigen­lijk ontstaan bij Steven Heene (coör­di­na­tor dra­maturg van NTGent, red.). Tij­dens de de eerste gesprekken met Milo Rau (artistiek directeur van NTGent, red.) had­den we het idee dat het mooi zou zijn om een soort tra­ject af te leggen. Mij sprak het idee aan om over drie jaar, bin­nenin het­zelfde huis, een tra­ject af te leggen met min of meer dezelfde acteurs en ons te con­cen­tr­eren op een the­ma. Ik kreeg het idee om gebaseerd op de ’trois couleurs’ van Krzysztof Kieślows­ki (film­regis­seur, red.), ook iets met de Bel­gis­che driek­leur te doen.

“Ik moet in het buiten­land alti­jd uit­leggen dat Walen en Vlamin­gen samen aan de Bel­gis­che kust op het strand liggen”

We lev­en in een land dat ver­scheurd is, al is het ook vrij vre­delievend. Ik moet ze in het buiten­land alti­jd uit­leggen dat Walen en Vlamin­gen samen aan de Bel­gis­che kust op het strand liggen. Ze denken dat wij elka­ars hoof­den inslaan. Nochtans zijn wij ook een land dat zijn his­torische schuldgevoe­lens heeft. Als ik mijn oud­ers hoorde spreken over hun jeugd, sprak­en ze over de ver­schrikkin­gen van de oor­log. Dat is een the­ma dat mij alti­jd gefasci­neerd heeft: in hoev­erre is geschiede­nis ver­bon­den met het per­soon­lijk lot van mensen?

Lat­en we het nog eens hebben over uw stuk ‘Black’. Wat u daarin aan­haalde is nu nog alti­jd een fragiel debat. Als u terugk­ijkt naar die pro­duc­tie − met de kri­tiek die u er op hebt gekre­gen in het achter­hoofd − zijn er dan din­gen dat u anders had willen doen?

Ik ben het niet echt eens met die kri­tiek. Ten eerste moet men goed weten waar men kri­tiek op uitoe­fent. Het gaat over the­ater. Dat is sinds mensen­heuge­nis een kun­stvorm die leeft van provo­catie. Zo kan ik heel veel stukken opnoe­men die zo gemaakt zijn om het pub­liek een geweten te schop­pen. In ‘Black’ was er een scène waarin het pub­liek werd uitgen­odigd om een zwarte actrice een ‘zwarte geit’ te noe­men. We hebben voorstellin­gen meege­maakt waar mensen dat effec­tief gezegd hebben. We hebben dat ook bewust gedaan om te lat­en voe­len hoe makke­lijk mensen zich lat­en ver­lei­den door iets dat eigen­lijk not done is. En dat was miss­chien wel hét moment in de voorstelling waar het in de zaal koud en warm tegelijk wordt. Je kan nu zeggen: “Je mag dat niet doen!”, maar als we van kun­st gaan verwacht­en dat het poli­tiek cor­rect is, geloof ik dat het zijn doel mist. Het is juist kun­st dat taboe’s niet alleen door­breekt, maar ze ook in vraag stelt. Ik zal de eerste zijn om te zeggen dat we ons drin­gend moeten gaan bezin­nen over het alledaagse ras­cisme op de straat. Er is een zin van Joseph Con­rad die mij alti­jd gefrappeerd heeft, daarom zat die ook in de voorstelling: “Het is de ander die alti­jd de vreemdel­ing is.” Wij hebben alle­maal een geest die alleen maar oordeelt en voort­durend de anderen vero­ordeelt om zichzelf veilig te voe­len. Dat is een diep menselijk mech­a­nisme en daar moeten we over nadenken. Dat gaat niet enkel over gek­leurde mensen, maar ook over de buur­man, bijvoor­beeld. Gewoon dagdagelijkse ont­moetin­gen waar je in eerste instantie als mens zegt ‘wie ben jij?’ en ‘kan ik jou vertrouwen?’ Dat zit diepge­worteld in onze cul­tu­ur. Het wordt ons aan­geleerd om nie­mand te vertrouwen. 

‘Wie ben jij?’ en ‘kan ik jou vertrouwen?’

Hoe heeft u dat cho­querende effect met ‘Yel­low’ proberen bereiken, nu het een online project is gewor­den? 

We gaan het pub­liek enorm mis­sen. Daarom heb ik, in plaats van een banale stream­ing, een film proberen mak­en. Het voordeel van film is dat de cam­era heel dicht­bij komt. Dat is een poging om de kwaliteit van film te verbinden met de vri­jheid van the­ater. The­ater is alti­jd het podi­um geweest van het volk. Dat is in Europa ontstaan in de mid­deleeuwen voor de Kerk, in de gedaante van passiespe­len. Ik ben de laat­ste om te bew­eren dat alles moet kun­nen op toneel, maar het is en bli­jft wel een kun­stvorm die bestaat bij gratie van die provo­catie. 

Hoe ver­schilde het werken aan een filmis­che ver­sie van the­ater met een voorstelling voor live pub­liek?

We hebben die film opgenomen en we mak­en nu een toneelvoorstelling waar­van we hopen dat we die in april mogen spe­len. Er zijn dus twee ver­sies van ‘Yel­low’ gemaakt, wat enorm veel inspan­nin­gen van ons heeft gevraagd. Daarom dat ik nu een beet­je nood heb aan een break (lacht).


Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *