Moeten we fast fashion een halt toeroepen?


Door

Archief

De kledingindustrie is de op één na meest vervuilende industrie ter wereld. Kleren worden daarnaast vaak in ermbarmelijke toestanden geproduceerd. "Er moet een mentaliteitsswitch gebeuren naar minder kopen voor betere kwaliteit", vindt Hannah Lyssens.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 29/03/2021 – 8:37 door Suzan­na Demey

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Je kent het miss­chien wel. Die ene broek, T‑shirt of pull van H&M of Zara. Hij ligt er doel­loos en ver­geten bij in je kleerkast. Een jaar of twee lat­er maak je er uitein­delijk komaf mee tij­dens een grote opkuis van je kast. Splin­ternieuw lijkt hij. Een impulsieve aankoop waar­van je vooraf wel wist dat het niet hon­derd pro­cent jouw smaak was. Het was een koop­je, slechts tien euro. Dan maakt het niet zoveel uit, toch?

De twintig­jarige Han­nah Lyssens denkt daar anders over. De stu­dente uit Sint-Niklaas verzet zich stel­lig tegen de (meestal) spot­goed­kope fast-fash­ionin­dus­trie. Een omme­keer kwam er een jaar gele­den met het VRT-pro­gram­ma ‘Bloed, zweet & lux­eprob­le­men’. In dit pro­gram­ma trokken zes kinderen van bek­ende Vlamin­gen naar Sri Lan­ka en Ghana om zelf te ervaren hoe het is om, onder andere, in een tex­tielfab­riek te werken. “Ik voelde me zo’n ver­wende west­er­ling. Ik vond het schri­j­nend om te zien hoe ik dagelijks in een leuke, hippe out­fit loop om naar school of op café te gaan en dat die mensen dag in en dag uit voor een min­i­mum­loon moeten werken. Ik heb besloten om daar niet meer aan mee te doen.”

De duistere kant van de kledingindustrie

We staan vaak niet stil bij het goed­kope pri­jskaart­je van onze kledij. Achter de ‘made in Chi­na’, ‘made in Bangladesh’ of ‘made in Viet­nam’ schuilt echter een heel pro­ces dat nog vaak niet het daglicht ziet. En als het ons bewust wordt gemaakt, zoals na de ramp van Rana Plaza in Bangladesh in 2013, wordt het wel­dra weer ver­geten. 

Alle pro­duc­tiekosten wor­den zoveel mogelijk gedrukt om de kledij aan een lage pri­js te kun­nen aan­bieden bij de con­sument. Daarom wordt vaak gebruikge­maakt van goed­kope grond­stof­fen of mate­ri­alen. Deze bepalen de, vaak slechtere, kwaliteit van het prod­uct. Daar­naast werken arbei­ders in lageloon­lan­den in erbarmelijke omstandighe­den, waar­bij weinig aan­dacht wordt besteed aan hun vei­ligheid of gezond­heid. Het loon dat ze daar­bij ver­di­enen is dik­wi­jls niet genoeg om in hun lev­en­son­der­houd te kun­nen voorzien. Op deze manier komt een T‑shirt van tien à vijf­tien euro uitein­delijk in je han­den terecht.

Het is tegen­stri­jdig is dat ik geen vlees eet en mij inzet tegen racisme als ik wel nog maan­delijks ga shop­pen bij de H&M

De lage pri­js zorgt ervoor dat de vraag naar kledij toe­neemt, wat zorgt voor een steeds grot­er en divers­er aan­bod. Zo kent de mode-indus­trie sinds eind de jaren negentig een snelle expan­sie. Het gaat over een evo­lu­tie van lux­e­prod­uct naar weg­w­erp­prod­uct. En dat heeft zijn gevol­gen voor ons kli­maat. De kledingin­dus­trie is op de olie-indus­trie na het meest vervuilend. De indus­trie staat in voor acht pro­cent van de CO2-uit­stoot ter wereld. Voor de pro­duc­tie van één broek is 8000 liter water nodig. Dat komt gemid­deld overeen met 53 keer in bad gaan. Uit een rap­port van Labfresh dat de ver­spilling in de kledingin­dus­trie in vijf­tien Europese lan­den onder­zocht, blijkt dat Bel­gië het meeste kilo­gram tex­tiel per per­soon weg­gooit. Het komt neer op bij­na vijf­tien kilo­gram per jaar.

Kan het anders?

Toch blijkt het niet zo sim­pel om fast fash­ion te weren. Het vergt een bepaalde ken­nis over de kledij die je koopt die niet alti­jd even makke­lijk te achter­halen is. “Het zijn de mensen die daarin geïn­ter­esseerd zijn en die zich daar al voor willen inzetten die zelf research gaan doen”, ver­duidelijkt Han­nah. “Het vraagt veel energie om dat te kun­nen doen ter­wi­jl het veel makke­lijk­er zou moeten gaan.”

Han­nah Lyssens

Zelfs Han­nah heeft soms nog moeite om het onder­scheid te kun­nen mak­en tussen duurzame en niet-duurzame kledij. “In Brus­sel heb ik in een pashok­je van de Amer­i­can Vin­tage een kwarti­er artikels op het inter­net zit­ten lezen om erachter te komen dat de kled­ing daar niet zo oké gemaakt is.” Al bli­jft ze geën­gageerd voor een reden. “Ik ben begin­nen na te denken dat het echt tegen­stri­jdig is dat ik geen vlees eet en mij inzet tegen racisme en voor de recht­en van de mens als ik wel nog maan­delijks ga shop­pen in de H&M.”

Slow fash­ion is door het feit dat het op duurzame manier gepro­duceerd wordt, vaak nog vrij duur. Dit vormt een stru­ikel­blok voor velen omdat het vaak niet past bin­nen een stu­den­ten­bud­get. Er zijn ook andere alter­natieven zoals tweede­handswinkels. “Tweede­hands kopen is bij­na een trend gewor­den. Dat is iets wat mij heel erg blij maakt. Het is toe­ganke­lijk­er dan dure, duurzame merken. Daar zie ik nog niet veel mensen naar op zoek gaan, maar tweede­handswinkels zijn heel goed bezig.”


Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *