To dt, or not to dt, that is the question


Door

Archief

Iedere vriendengroep heeft er wel een: de taalnazi. Die ene vriend die elke dt-fout in de groepschat per se moet verbeteren. Of je nu fan bent van 'De Smurfen', vaak thee drinkt of het kofschip kent, dt-fouten zijn de wereld nog niet uit.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 25/11/2024 – 5:55 door Nina De Neve

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Er zijn twee soorten mensen: zij wier ogen meteen begin­nen te bloe­den als ze een dt-fout zien en zij die ze mak­en. En dan natu­urlijk de mensen uit de eerste groep die zich beter voe­len dan die uit de tweede groep. De dt-regel kri­j­gen we al van kinds af aan aan­geleerd door elke leerkracht Ned­er­lands, meestal dan nog met een paar leuke ezels­brugget­jes. Toch is het moeil­ijk om aan de gram­mat­i­cale faux pas te ontsnap­pen. 

De term dt-fout is ook fout

Om te begin­nen moet er een mis­ver­stand de wereld uit: er is niet één dt-regel. De term dt-fout omvat eigen­lijk twee soorten fouten: een foute vorm van de ver­voegde per­soonsvorm zoals de wel­bek­ende ‘ik wordt’ of een foute vorm van het voltooid deel­wo­ord zoals ‘het is gebeurt’.

De regels zijn sim­pel: een ver­voegd werk­wo­ord kri­jgt – enkele uit­zon­derin­gen buiten beschouwing gelat­en – een ’t’ na een tweede (jij) of derde per­soon (hij/zij/die of een zelf­s­tandig naam­wo­ord). De laat­ste let­ter van een voltooid deel­wo­ord hangt dan weer af van de laat­ste klank van de stam. Is die stemhebbend, dan wordt het een ‘d’, is die stem­loos (zoals de medek­link­ers uit ’t kof­schip) dan eindigt het op een ’t’. Of zoals je het in het lager leerde: de eerste regel is met ‘smur­fen’, de andere met ’t kof­schip. 

Zelfs de streng­ste taal­nazi maakt al eens een dt-fout

Allemaal goed en wel, die regels

De regels zelf mogen dan best sim­pel zijn, we kun­nen er niet omheen: mensen mak­en aan de lopende band dt-fouten. Waarom dan? Onze herse­nen zijn helaas geen machines die alti­jd alle regelt­jes kun­nen respecteren. Dus wie snel-snel een bericht­je stu­urt voor de les begint, heeft meestal niet de tijd om diep na te denken over de gram­mat­i­cale struc­tu­ur van een zin en of er nu smur­fen of kof­schep­en aan te pas komen. Je werkge­heugen is met te veel din­gen tegelijk bezig en zo geschiedt: er staat ‘ik wordt’. Dat komt door een fenomeen dat woordge­heugen heet. De vorm ‘wordt’ komt veel vak­er voor dan ‘word’, dus die zit gewoon een schuif­je hoger in je brein als je zoekt naar de juiste schri­jfwi­jze. Zelfs als je een tekst naleest, kan de foute vorm toch bli­jven staan, sim­pel­weg omdat de vorm ‘wordt’ zo vaak voorkomt en er in je hoofd dus geen alarm afgaat als je er vlug over­leest. Het helpt ook niet dat je geen ver­schil hoort tussen de twee vor­men. Dus ja, zelfs de streng­ste taal­nazi maakt al eens een dt-fout.

Waarom hechten mensen zo veel belang aan dt-regels?

De gemid­delde taalpurist zal het je zeggen: mensen mak­en meer fouten dan alleen dt-fouten. Toch wordt iemand die zondigt tegen de dt-regels in een moti­vatiebrief snel slordig genoemd, ter­wi­jl andere fouten min­der opvallen. En als je oppert om de dt-regels af te schaf­fen, staat plots iedereen op hun achter­ste poten. Mensen die dt-fouten ver­beteren, doen dat omdat ze een bepaalde emo­tionele waarde hecht­en aan een regel. Miss­chien komt dat omdat de regel met de paple­pel ingegeven wordt en net zo sim­pel lijkt. Want ja, als je gewoon aan smur­fen of ’t kof­schip zou denken ter­wi­jl je duizend-en-één din­gen doet, dan zou je die fout niet gemaakt hebben.


Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *