Virussen als bondgenoot


Virussen staan vooral bekend als 'ziekmakende vijanden', maar ze kunnen ook gebruikt worden om net ziektes te bestrijden. Dat heet dan een vectorvaccin.

Virussen staan van nature bek­end om hun ver­mo­gen om gas­theer­cellen bin­nen te drin­gen, de cel­lu­laire eiwit­pro­duc­tiema­chine te kapen en zich op die manier te ver­menigvuldigen. Weten­schap­pers zijn er echter in ges­laagd om dit natu­urlijke mech­a­nisme om te vor­men tot een posi­tiev­er afgiftesys­teem: het zoge­noemde virale-vec­tor­vac­cin.

In tegen­stelling tot de meeste con­ven­tionele vac­cins bevat­ten virale-vec­tor­vac­cins zelf geen anti­ge­nen. In plaats daar­van gebruiken ze een onschadelijk gemaakt virus (namelijk de vec­tor) om de genetis­che code in menselijke cellen af te lev­eren. De eigen lichaam­s­cellen gaan ver­vol­gens aan de slag om anti­ge­nen te pro­duc­eren. Om de vei­ligheid te waar­bor­gen, hebben de virale vec­toren geen ziek­tev­er­wekkende genen en kun­nen ze zich niet in het lichaam ver­menigvuldigen.

Zodra een virale vec­tor via een injec­tie het lichaam bin­nenkomt, infecteert deze de cellen en plaatst die het genetis­che mate­ri­aal (inclusief het antigeen­gen) in de celk­er­nen. De menselijke cel leest deze instruc­ties en maakt het antigeen aan alsof het een eigen eiwit is.

Wan­neer immuun­cellen dit vreemde antigeen detecteren, start een afweer­re­ac­tie. Het pro­ces bootst een natu­urlijke infec­tie na en lev­ert daar­door een sterke, tweeledi­ge immuun­re­spons op door twee soorten cellen. De B‑cellen pro­duc­eren gerichte antilichamen tegen het vreemde eiwit. De T‑cellen sporen geïn­fecteerde cellen op en verni­eti­gen ze.

Beeld: Leone Mattheus

Bin­nen deze tech­nolo­gie bestaan twee hoofd­typen. De eerste niet-replicerende vec­toren kun­nen geen nieuwe virale deelt­jes vor­men en pro­duc­eren uit­slui­tend het vac­cin-antigeen. De tweede replicerende vec­toren mak­en wel nieuwe virale par­tikels in geïn­fecteerde cellen, die ver­vol­gens nieuwe cellen infecteren om extra antigeen te pro­duc­eren. 

De tech­nolo­gie achter virale vec­toren is al goed inge­burg­erd in de weten­schap en werd eerder gebruikt voor diverse dieren­vac­cins en een door inter­na­tionale regel­gev­ers goedgekeurd ebolavac­cin bij mensen. Als vec­toren wor­den onder meer ade­n­ovirussen (veroorza­k­ers van verk­oud­heid), maze­len­virussen en vac­cini­avirussen ingezet.

Het belan­grijk­ste obstakel is antivec­torim­mu­niteit: als een patiënt eerder aan het vec­torvirus is bloot­gesteld, kan het immuun­sys­teem de drager aan­vallen voor­dat het antigeen tot expressie komt

Ondanks de sterke immuun­re­spons kent de tech­nolo­gie spec­i­fieke knelpun­ten. Het belan­grijk­ste obstakel is antivec­torim­mu­niteit: als een patiënt eerder aan het vec­torvirus is bloot­gesteld, kan het immuun­sys­teem de drager aan­vallen voor­dat het antigeen tot expressie komt. Dit maakt dan opeen­vol­gende dosis­sen met dezelfde vec­tor min­der effec­tief.

Daar­naast is de pro­duc­tie helaas relatief com­plex en kost­baar. Schaal­baarheid vormt een knelpunt; vec­toren wer­den tra­di­tion­eel gek­weekt op vaste sub­strat­en in plaats van in vrij zwevende sus­pen­siecellen (cellen die zich niet aan een vaste bodem hecht­en, red.). De ontwik­kel­ing van sus­pen­siecel­li­j­nen in grote biore­ac­toren moet dit ver­helpen. Door­dat de assem­blage uit meerdere stap­pen bestaat, zijn er na elke stap kwaliteits- en vei­lighei­d­stests nodig.