De uitspraken van Nathan Cofnas onder de loep


Door

Archief

Net voor de paasvakantie, op 2 april, gaf Nathan Cofnas een lezing georganiseerd door de studentenvereniging KVHV. Wat vertelde hij daar allemaal? Was dat allemaal wel waar? Drie willekeurige standpunten die door de omstreden wetenschapsfilosoof werden ingenomen worden hier gefactcheckt.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 14/05/2026 – 22:38 door Ege Tok­man­Madeleine Cosse­men­tJu­lian DamsJu­niper Van Huy­ck­Ti­na Mor­thi­er

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

1. De Cold Winter Theory

Een van de the­o­rieën die Cof­nas verdedigde in zijn lez­ing, was de zoge­naamde “Cold Win­ter The­o­ry”. De cen­trale these van deze the­o­rie is dat koude win­ters een spec­i­fieke druk met zich mee­bren­gen die lei­dt tot evo­lu­tion­aire selec­tie op intel­li­gen­tie. Aangezien het moeil­ijk­er is om jezelf warm te houden en eten te vin­den in koud­ere kli­mat­en, hebben mensen met een hogere intel­li­gen­tie vol­gens deze the­o­rie een evo­lu­tion­air voordeel. Zij zullen meer kans hebben om te over­leven en nages­lacht voort te bren­gen. Pop­u­laties die over­leven in koud­ere kli­mat­en zullen dus na ver­loop van tijd slim­mer wor­den. Vol­gens deze the­o­rie vin­den we het hoog­ste IQ bij mensen met Europese of Azi­atis­che afkomst. Argu­menten die hier­voor wor­den aange­haald zijn dat het moeil­ijk­er zou zijn om te jagen in de graslan­den van Euraz­ië dan in Afri­ka, aangezien graslan­den min­der beschut­ting zouden bieden. Dit staat in con­trast met de weten­schap­pelijke con­sen­sus dat de mens op de Afrikaanse savannes geëvolueerd is, die ook zeer weinig beschut­ting bieden. 

Een ander argu­ment is dat het een grotere uitdag­ing is om vuur te mak­en en zich te kle­den en beschut­ting te vin­den in een koud­er kli­maat. Hoewel dit een real­is­tis­che veron­der­stelling is, bestaat er geen bewi­js dat een hogere intel­li­gen­tie vereist is om deze tak­en tot een goed einde te bren­gen. Zo leef­den Nean­derthalers lange tijd in koude kli­mat­en, ter­wi­jl deze min­der gesofisticeerde cul­tu­ur toon­den en min­der capaciteit­en voor inno­vatie had­den. De homo sapi­ens die evolueerde in tro­pisch Afri­ka toonde daar­ente­gen een grotere intel­li­gen­tie en cog­ni­tieve com­plex­iteit. De Cold Win­ter The­o­ry verk­laart dus niet waarom er bij de hominiden in Afri­ka een hogere intel­li­gen­tie en com­plex­iteit gevon­den wordt. Ook is er geen con­creet weten­schap­pelijk bewi­js voor de stelling dat over­leven in koud­ere kli­mat­en een hogere intel­li­gen­tie vraagt.

Deze stelling is ook behoor­lijk con­tro­ver­sieel, vanu­it weten­schap­pelijke hoek is er aller­minst con­sen­sus over. Vooral aan­hang­ers van het “rassen­re­al­isme” staan erachter, onder andere Cof­nas zelf, Richard Lynn, Don­ald Tem­pler en Satoshi Kanaza­wa. Richard Lynn wordt over het alge­meen gezien als de found­ing father van de the­o­rie, ook in de krin­gen van het rassen­re­al­isme. Hij kwam al onder vuur te liggen nadat uit onder­zoek van pro­fes­sor Jelte Wicherts bleek dat hij datasets had ver­valst bij het mak­en van een IQ-wereld­kaart, waar­bij hij de vari­aties in IQ tussen lan­den wilde aan­to­nen. Ook deed hij con­tro­ver­siële uit­sprak­en in inter­views, onder andere over de voorde­len van raciale seg­re­gatie, waar­bij hij argu­menteerde om de VS op te split­sen in raci­aal homo­gene stat­en, en over de nade­len van migratie. 

Opval­lend was dat Cof­nas tij­dens de lez­ing zelf afs­tand nam van Lynn wan­neer hij ernaar gevraagd werd. Hij stelde dat de the­o­rie dateert van voor Lynn en dat hij zelf meer­maals kri­tiek heeft geuit op Lynn als een pseudoweten­schap­per. Ook online nam Cof­nas al afs­tand van Lynn, meer spec­i­fiek nadat uitk­wam dat zijn method­olo­gie niet weten­schap­pelijk cor­rect was. Des­on­danks ref­er­eert hij aan Lynn in meerdere tweets en acad­emis­che pub­li­caties om zijn stellin­gen over Joods IQ te onder­s­te­unen.

2. Satoshi Kanazawa

Toen Cof­nas uitein­delijk wél de vraag beant­wo­ordde over welke acad­emis­che fig­uren nog een aan­hang­er zouden zijn van de Cold Win­ter The­o­ry, ver­noemde hij Satoshi Kanaza­wa. Wie is Satoshi Kanaza­wa en wat voor een weten­schap­pelijke rep­u­tatie heeft hij? 

Kanaza­wa is een Brits-Amerikaanse aca­d­e­mi­cus die aan de Lon­don School of Eco­nom­ics and Polit­i­cal Sci­ence werkt. Hij is net als Cof­nas een rassen­weten­schap­per en evo­lu­tion­air psy­choloog, en zoals blijkt uit Cof­nas’ oude posts op X, een figu­ur die Cof­nas’ eigen ideeën beïn­vloed heeft. Zo blijkt uit een post uit 2018 dat Kanaza­wa zijn ref­er­en­tiepunt was op vlak van zijn the­o­rieën rond Joodse IQ, daar­naast postte Cof­nas meer­maals over Kanaza­wa en zijn werken. 

Kanaza­wa stelt in zijn eigen the­o­rie, die vast wel op de boven­staande Cold Win­ter The­o­ry lijkt, dat de vooroud­ers van Euraz­iërs tij­dens hun evo­lu­tion­aire tocht uit de Afrikaanse savannes omgevin­gen tegenkwa­men die evo­lu­tion­air selecteer­den voor hogere intel­li­gen­tie. Hier­bij paste Kanaza­wa de stelling van Pythago­ras toe om geografis­che afs­tanden in Afri­ka te bereke­nen, waarmee hij ervan uit­gaat dat de aarde plat is aangezien de geometrische stelling enkel van toepass­ing is op plat­te opper­vlak­tes. Kanaza­wa stelt hier­naast nog vast dat het geme­ten IQ van heden­daagse Aus­tral­iërs, Zuid- en Noord-Amerika­nen rep­re­sen­tatief is van de inheemse bevolkin­gen waarmee er geen genetisch ver­band meer bestaat. 

Kanaza­wa is naast aan­hang­er van de achter­haalde Cold Win­ter The­o­ry ook auteur van zijn eigen pseu­do-weten­schap­pelijke en con­tro­ver­siële onder­zoek. Hij voerde enerz­i­jds in 2011 onder­zoek naar waarom Afrikaanse vrouwen min­der aantrekke­lijk zouden zijn dan andere vrouwen, en stelde dat Sub-Sahara-Afrikaanse lan­den lij­den aan ziek­tes en chro­nis­che armoede van­wege hun, vol­gens Kanaza­wa, lage IQ. Door de con­tro­verse die zijn pub­li­caties en uit­sprak­en veroorza­ak­ten, werd Kanaza­wa in 2011 ontsla­gen als schri­jver voor het weten­schap­pelijk tijd­schrift Psy­chol­o­gy Today en ver­biedt zijn werkgev­er hem om voor non-peer-reviewed tijd­schriften te schri­jven voor een peri­ode van 12 maan­den.

In zijn onder­zoek naar de aantrekke­lijkheid van Afrikaanse vrouwen, onder­zocht hij bijvoor­beeld niet waarom Afrikaanse vrouwen als min­der aantrekke­lijk zouden geper­cip­ieerd wor­den. Het onder­zoek, dat beweerde objec­tieve data weer te geven, bestond uit bevin­din­gen gebaseerd op de menin­gen van de respon­den­ten, waar­van hij de sam­ple size niet weer­gaf. 

Er kwam snel kri­tiek op zijn onder­zoek vanu­it de acad­emis­che wereld. In 2011 tek­enden 68 evo­lu­tion­air gedragsweten­schap­pers een open brief waarin ze stelden dat Kanazawa’s werk het vakge­bied niet verte­gen­wo­ordigde. In de brief stellen de aca­d­e­mi­ci dat Kanaza­wa al bekri­tiseerd werd door andere onder­zoek­ers in zijn eigen onder­zoeks­domein omwille van zijn ongepaste sta­tis­tis­che meth­o­d­en en slechte datak­waliteit. Hij werd daar­naast ook ver­weten con­sis­tent alter­natieve verk­larin­gen terz­i­jde te lat­en. 

De tege­nar­gu­menten en kri­tiek tegen het pseu­do-weten­schap­pelijk werk van Kanaza­wa stop­pen daar niet bij. In 2007 her­be­keek sta­tis­ti­cus Andrew Gel­man de data die Kanaza­wa gebruik­te om zijn stelling dat “aantrekke­lijke mensen vak­er dochters hebben” te staven en con­cludeerde hij dat de data Kanazawa’s stelling niet bewezen. De auteurs van de open brief ver­wi­jten Kanaza­wa ook het feit dat hij zelden reageert op kri­tiek. Hij engageert vol­gens de crit­i­ci niet met tege­nar­gu­menten. 

3. De race gap en de environmental explanation

In zijn lez­ing bekri­tiseerde Cof­nas de zoge­naamde envi­ron­men­tal expla­na­tion, (dat is een stelling die beweert dat IQ-ver­schillen verk­laard kun­nen wor­den door omgev­ings­fac­toren), om zijn pseu­do-weten­schap­pelijk argu­ment over het ver­meende ver­band tussen omgev­ings­fac­toren en intel­li­gen­tie te onder­bouwen. “But some of these adap­ta­tions may be cog­ni­tive, they have to do with intel­li­gence or per­son­al­i­ty traits”, aldus Cof­nas.

De bew­er­ing dat ver­schillen in IQ-scores tussen bevolk­ings­groepen vooral het resul­taat zijn van genetis­che “cog­ni­tieve adap­taties” is een kern­punt in Cof­nas’ zelfverk­laarde “hered­i­tar­i­an­ism”. Echter, deze posi­tie mist vol­gens weten­schap­pelijke analy­ses solide onder­s­te­un­ing in de huidi­ge data. Een fun­da­menteel prob­leem bij deze claim is het negeren van de kwal­i­tatieve ver­schillen in de leefomgev­ing, ook wel “X‑factors” genoemd. In tegen­stelling tot wat Cof­nas sug­gereert, zijn de omgevin­gen van ver­schil­lende groepen in bijvoor­beeld de VS niet sim­pel­weg vari­aties van elka­ar; ze zijn fun­da­menteel onvergelijk­baar door de alomte­gen­wo­ordi­ge invloed van racisme. Onder­zoek naar het “stereo­type threat” fenomeen laat zien dat ogen­schi­jn­lijk triv­iale omgev­ings­fac­toren, zoals het benoe­men van ras voor een test, de presta­ties van zwarte stu­den­ten aanzien­lijk kun­nen onder­drukken zon­der de scores van witte stu­den­ten te beïn­vloe­den. Dit toont aan dat omgev­ingsin­vloe­den zeer spec­i­fiek en krachtig kun­nen werken op één groep, wat een puur genetis­che verk­lar­ing voor score­ver­schillen over­bod­ig maakt.

Wat de veron­der­stelde genetis­che basis voor deze “adap­taties” betre­ft, wijzen de bron­nen op een aanzien­lijk gebrek aan bewi­js: er zijn vri­jwel geen spec­i­fieke genen geï­den­ti­ficeerd die een sig­nif­i­cante impact hebben op IQ-scores. Het poneren van sys­tem­a­tis­che genetis­che ver­schillen tussen groepen is daarom niet plau­si­bel­er dan het aan­wi­jzen van com­plexe omgev­ingsver­schillen, vooral omdat we van de omgev­ing wél weten dat deze presta­ties direct beïn­vloedt, ter­wi­jl we van de genen in deze con­text voor­lop­ig weinig tot niets weten.

Ten slotte waarschuwen experts voor “over­in­ter­pre­tatie” door weten­schap­pers die her­i­tabiliteitscoëf­fi­ciën­ten (d.w.z. erfe­lijkheid bin­nen een groep) ten onrechte gebruiken om ver­schillen tussen groepen te verk­laren. Hoewel gedrags­genetisch onder­zoek aan­toont dat IQ een genetis­che com­po­nent heeft, zijn deze bevin­din­gen alti­jd “lokaal” en beperkt tot de spec­i­fieke pop­u­latie en omgev­ing waarin ze zijn geme­ten. Het ongeoor­loofd vergelijken van deze cijfers tussen groepen wordt door crit­i­ci zoals Aaron Panof­sky omschreven als “sci­ence behav­ing bad­ly”, waar­bij weten­schap en ide­olo­gie gevaar­lijk ver­mengd rak­en. Het bli­jft een feit dat de effecten van his­torisch en huidig racisme zo diep­gaand en veelz­i­jdig zijn dat het gen­er­aties kan duren voor­dat de volledi­ge omgev­ingsim­pact op cog­ni­tieve presta­ties geëlim­i­neerd is, wat elke voor­ti­jdi­ge con­clusie over “genetis­che adap­taties” weten­schap­pelijk prob­lema­tisch maakt.


Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *