Negentien levens


Ik vond een antwoord op een vraag die ik nooit echt had durven stellen: wat is de betekenis van een mensenleven?

Op vijf augus­tus 2026 zat ik op een wankel klap­stoelt­je. Rond mij zat bij­na de hele fam­i­lie. En in het mid­den lag mijn idool, mijn muze, mijn oma, onverwachts op zoek naar haar aller­laat­ste adem. Ter­wi­jl de stilte af en toe werd door­bro­ken door het zachte geping van ste­un­bericht­en op tele­foons, drong één gedachte zich steeds hard­er op. Tussen het rauwe ver­dri­et en de machteloosheid vond ik een antwo­ord op een vraag die ik nooit echt had dur­ven stellen: wat is de beteke­nis van een mensen­leven?

Beeld: Marie Soetens

Het antwo­ord zat niet in het afscheid dat zich voor mijn ogen voltrok, maar in de negen­tien mensen die rond haar verza­meld waren. Negen­tien lev­ens die, elk op hun eigen manier, door mijn oma waren ger­aakt. Ze had hen liefge­had, geholpen, getroost, doen lachen, moed gegeven. De herin­ner­in­gen die die avond wer­den opge­haald en de tra­nen die tegelijk vloei­den, waren het bewi­js van iets grot­ers: een mens leeft niet voort in behaalde diplo­ma’s, ges­laagde exa­m­ens of uit­mun­tende the­sis­sen, maar in de sporen die hij achter­laat in anderen. 

Vanaf van­daag trekt het stu­den­ten­leven zich weer op gang. Gent slokt ons op in een waas van over­volle audi­to­ria, obscure (pseudo)wetenschappers, een willekeurige min­is­ter van Onder­wi­js én de con­stante drang om mee te draaien. Te presteren. Iets te wor­den.
Maar tussen de druk­te en het acad­emis­che geweld door, ver­geten we al te vaak wie we wor­den voor de mensen naast ons. Nie­mand heeft lev­ens­lessen van een eenen­twintig­jarige mas­ter­stu­dent Taal- en Let­terkunde nodig. Doe vooral wat je niet lat­en kunt. Maar lat­en we elka­ar dit acad­e­mie­jaar niet uit het oog ver­liezen. Lat­en we opkijken van onze scher­men, aan de buur in de les vra­gen hoe het écht gaat, en zacht bli­jven waar de wereld hard en gejaagd is.

En stu­ur af en toe je oma een bericht­je dat alles goed gaat, daar in die grote stu­den­ten­stad.
Je weet nooit welk schi­jn­baar ver­waar­loos­baar gebaar lat­er het enige blijkt dat er werke­lijk toe deed.

Non nobis solum
Groet, Leone
Hoof­dredac­teur 2026–2027