De belangrijkste site van de expo werd het grotendeels onbebouwde gebied achter het Sint-Pietersstation. In de aanloop naar de Wereldtentoonstelling werd zo’n 130 hectare omgetoverd tot een dromerig spektakel. Oscar Van de Voorde ontwierp hiervoor tientallen prachtige internationale paviljoenen, waarin verscheidene Europese machten elkaar probeerden te overtreffen met wetenschap, kunst en cultuur.
Deze paviljoenen bestonden echter uit hout en gips en dienden vooral om zes maanden lang imposant te zijn, niet om te blijven staan. Ze werden na de expo dan ook vernietigd, waarna op de ruïnes van de paviljoenen het Miljoenenkwartier verrees, dat bekendstaat om zijn art deco gebouwen uit het interbellum.

Citadelpark
Het Citadelpark werd een andere belangrijke site. Hoewel het park al langer bestond, werd het naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling grondig gerenoveerd en kreeg het ongeveer zijn huidige vorm. Tijdens de Wereldtentoonstelling deed het park dienst als een soort pretpark, met een toeristentreintje, schietkraampjes en zelfs de (naar verluidt) hoogste waterglijbaan ter wereld, die uitkwam op de huidige vijver naast Campus Ledeganck.
De Floraliënhal, speciaal gebouwd voor 1913, werd het centrum van een zee aan bloemen die zo groot was dat men de Wereldtentoonstelling van 1913 ook wel de ‘Bloemenexpo’ noemde. Deze overvloed aan bloemen had een politiek en economisch doel. Gent, dat wegens zijn industrie ook wel bekend stond als ‘het Manchester van het vasteland’, wilde met deze zee aan bloemen haar imago oppoetsen en tevens de bloemisten aan de stadsrand internationaal in de verf zetten.
Disneyficatie van de kuip
De Wereldtentoonstelling kwam ook met de verwachting van een stadsbrede opknapbeurt. Zo werden gebouwen en woningen in de Gentse binnenstad gerenoveerd en heringericht om er ‘middeleeuwser’ uit te zien, met name langs de Gras- en Korenlei. Pleister- en verflagen werden van gebouwen verwijderd voor een meer middeleeuwse look. Hoewel een aantal gebouwen herbouwd werden volgens middeleeuwse bouwtekeningen, lieten architecten zoals Louis Cloquet elders hun fantasie de vrije loop. Het gevolg is dat de Gentse binnenstad vol staat met neogotische gebouwen die er wel middeleeuws uitzien, maar eigenlijk niet veel ouder zijn dan honderd jaar.
“Naast alle mooie gebouwen en leuke feestelijkheden bevond zich op de wereldexpo iets wat voor onze moderne tijdgeest luguber lijkt. Men bouwde namelijk menselijke ‘zoos’ ”
Het Sint-Pietersstation, tot die tijd een klein stationnetje, werd gesloopt en op grotere schaal herbouwd volgens het ontwerp van Louis Cloquet. Zo overschaduwde dit het oudere Station-Zuid, gelegen op de site van het huidige Zuidpark, tot dan toe het belangrijkste station van de stad. Leuk detail is dat de bouw van het station en het nabijgelegen plein slechts twee jaar duurde, terwijl de huidige vernieuwingen inmiddels Sagrada Familia-achtige proporties beginnen aan te nemen.
Ook de Gentse skyline werd grondig onder handen genomen. Tussen 1911 en 1913 werd het belfort ‘gerestaureerd’. De oude neogotische spits uit 1851 was in verval geraakt en moest worden vervangen door een model dat ‘middeleeuwser’ aandeed. Het resultaat is de huidige stenen bekroning van het belfort: de torenspits die we kennen en waar we van houden is dus nauwelijks ouder dan 100 jaar. Hoewel historisch totaal niet accuraat, lijkt het me fair om het een verbetering te noemen.

Nu stond Gent wel vol met middeleeuwse monumenten, maar de oude kronkelstraatjes in het stadscentrum zorgden ervoor dat je ze niet goed kon zien. Om het uitzicht op de drie torens te verbeteren werden oude kronkelstraatjes rechtgetrokken en nieuwe straten aangelegd. Het bekendste voorbeeld is het uitzicht vanop de Sint-Michielsbrug. Om vanop deze brug ook nog eens een perfect uitzicht te krijgen op het Gravensteen, werd ook het Veerleplein heringericht en werden de huizen aldaar een verdieping lager gemaakt.
“Nu stond Gent wel vol met middeleeuwse monumenten, maar de oude kronkelstraatjes in het stadscentrum zorgden ervoor dat je ze niet goed kon zien”
Een duister kantje?
Naast alle mooie gebouwen en leuke feestelijkheden bevond zich op de wereldexpo iets wat voor onze moderne tijdgeest luguber lijkt. Men bouwde namelijk menselijke ‘zoos’, waar mensen uit andere contreien van de wereld werden tentoongesteld. In Gent stonden er twee in het Citadelpark: een Senegalees en een Filipijns dorp. De betrokken mensen maakten deel uit van rondreizende groepen met telkens een blanke verantwoordelijke. Voor de wereldexpo’s waren deze tentoonstellingen een vaste attractie tot in 1958. Deze werden door de gemiddelde Belgische bezoeker beschouwd als exotische bezienswaardigheden.
De oorsprong van de mensenzoos gaat verder dan dit; rond de eeuwwisseling was het vakgebied van de etnografie enorm groot. Dit vakgebied bestudeerde andere culturen en volkeren, vaak met een vooringenomen racistische blik. In de loop van de tentoonstelling werden drie Filipijnen ziek en stierf een 28-jarige Filipijn, Timicheg, aan tuberculose. Dit kwam door de zware leefomstandigheden van de ‘dorpsbewoners’.
Financiële problemen
Ook had de tentoonstelling een ander negatief gevolg: de kosten liepen hoog op en de stad Gent stortte in de schulden. Wetende dat de Eerste Wereldoorlog een jaar nadien uitbrak, was dit absoluut niet ideaal.
Het stadsbestuur onder burgemeester Emile Braun deed er alles aan om te vermijden dat de pas gerenoveerde binnenstad werd gebombardeerd of verwoest. Gent werd dan vreedzaam overgedragen aan de Duitse bezetter, die de stad gebruikte als logistiek centrum voor de oorlogsinspanningen. Het voor de Wereldtentoonstelling gerenoveerde station Gent-Sint-Pieters was hiervoor van doorslaggevend belang.


Een reactie achterlaten