Open Boek met Petra De Sutter: “de praktijk loopt achter op het wetgevend kader”


Door

Archief

In deze rubriek stellen we open vragen aan proffen, waarop ze frank en vrij mogen antwoorden. Dit keer spraken we met Petra De Sutter, vice-premier en hoogleraar gynaecologie, over de LGBT-gemeenschap en de invloed van academisch onderzoek op beleidskeuzes.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 21/02/2024 – 13:42 door Tailah Baert­Bram Maes

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Waarom moeten we in Bel­gië nog stri­j­den voor LGBT-recht­en?

“We moeten een onder­scheid mak­en tussen de wet­gev­ing die wij hebben en de dagelijkse realiteit. Qua wet­gevend kad­er zijn wij wereld­wi­jd een beet­je pio­niers, dus dat is goed. Wat in de harten en hoof­den van de samen­lev­ing gebeurt, daar is nog werk aan de winkel. We weten alle­maal: er is dis­crim­i­natie, maar ook ver­baal en fysiek geweld. Er is ook een maatschap­pelijke ten­dens die mij veron­trust. Kijk naar Hon­gar­i­je en Ital­ië, bin­nenko­rt miss­chien ook Ned­er­land. Daar zijn nu par­ti­jen aan de macht die LGBT-recht­en aan het terugschroeven zijn. Door Mel­oni zijn er nu vrouwenkop­pels waar een van de vrouwen plots niet meer erk­end wordt als de moed­er van haar kind. We moeten waakza­am bli­jven ten opzichte van die evo­lu­tie in andere lan­den. Bel­gië ontsnapt daar voor­lop­ig aan, maar wij horen toch ook homo­fobe en trans­fobe uit­sprak­en bij som­mige poli­tieke par­ti­jen. En wat je op sociale media vin­dt, is even­min om vrolijk van te wor­den. We moeten oplet­ten dat we de recht­en die we ver­wor­ven hebben, behouden. Dat is waarom we moeten bli­jven spreken over LGBT-the­ma’s.”

“We hebben het meemoed­er­schap wet­telijk omkaderd, maar niet het mee­vader­schap”

Vin­dt u dat de maatschap­pij, ondanks het breed wet­gevend kad­er, nog steeds het­ero­nor­matief is?

“Op veel vlakken is dat niet het geval. Een voor­beeld waar dat wel zo is: we hebben het meemoed­er­schap wet­telijk omkaderd, maar niet het mee­vader­schap. Die het­ero­nor­ma­tiviteit zit vaak onbe­doeld in aller­lei sys­te­men inge­bakken. In de gezond­hei­d­szorg word je als holebi- of transper­soon de dag van van­daag nog alti­jd bewust of onbe­wust gedis­crim­i­neerd. We weten dat veel mensen er zelfs niet over dur­ven te prat­en als ze bij de arts gaan, want ze zijn bang dat ze moeil­ijke vra­gen moeten beant­wo­or­den. Vol­gens een onder­zoek van MAG Jeunes is 36% van holebi- en tran­sjon­geren die bij de dok­ter gaat bang dat ze vreemd bekeken, beo­ordeeld en gedis­crim­i­neerd zullen wor­den. Door die bar­rière ligt de drem­pel voor goede zorg hoger voor die groep. De medis­che wereld is zich daar gelukkig van bewust, zoals het Europese project Health4LGBTI aan­toonde. Medisch per­son­eel zou graag beter opgeleid wor­den om de spec­i­fieke noden van die doel­groep te leren ken­nen. Je kan dezelfde vast­stellin­gen doen in andere sec­toren, zoals sport en onder­wi­js. Holebi-jon­geren voe­len zich op school min­der veilig, zijn vaak het slachtof­fer van pestge­drag door medeleer­lin­gen en kri­j­gen soms opmerkin­gen van leerkracht­en. Lev­en we dus nog alti­jd in een het­ero­nor­matieve samen­lev­ing? Ik denk dat we dat miss­chien wel moeten con­clud­eren.”

Denkt u dat verder acad­emisch onder­zoek een stim­u­lans kan zijn om bestaande insti­tu­ties aan te passen, zoals in het verleden gebeurde met kun­st­matige bevrucht­ing en abor­tus?

“Absolu­ut. Je hebt dri­jvers en trekkers van zo’n agen­da nodig. Het mid­den­veld, activis­ten en de hele gemeen­schap zijn onmis­baar. Anderz­i­jds heb je ook aca­d­e­mi­ci nodig die open staan voor die the­ma’s. Als we bijvoor­beeld iets willen doen aan het men­taal welz­i­jn van holebi’s, dan moet je weten waaruit je vertrekt. Je moet dat kun­nen meten en je moet kun­nen nagaan of een gekozen beleid het men­taal welz­i­jn in die groep effec­tief ver­betert. Ik ben zow­el weten­schap­per als activist, en het is goed dat we onder­zoek gedaan hebben en dat we gepub­liceerd hebben in weten­schap­pelijke tijd­schriften om zulke agenda’s vooruit te duwen. Dat creëert bewustz­i­jn, ook bij politi­ci die dan uitein­delijk de beslissin­gen moeten nemen. Acad­emisch onder­zoek en de maatschap­pelijke prak­tijk gaan hand in hand.”

Toch is er een grote groep in de samen­lev­ing die eigen­lijk niet meer luis­tert naar wat de weten­schap te zeggen heeft. Hoe kri­jg je ook hen mee in het ver­haal?

“Dat klopt, covid heeft daar een invloed op gehad. Voor covid had­den weten­schap­pers meer aanzien en autoriteit. Tij­dens de pan­demie hebben we het beleid heel erg op virolo­gen en epi­demi­olo­gen gestoeld, maar voor een viroloog is het sim­pel: je sluit iedereen thuis op en het virus zal weg­gaan. We hebben na die eerste golf gezien dat we ook reken­ing moesten houden met andere aspecten. Een poli­tiek besluit is gebaseerd op meer dan alleen een weten­schap­pelijk advies. Anderz­i­jds, als we willen weten hoe het gesteld is met geweld tegen de holebige­meen­schap, hebben we cijfers nodig. Ik denk dat onder­zoek nog alti­jd de basis moet zijn van elke poli­tieke besliss­ing. Dat mag, maar hoeft geen high­tech lab­o­ra­to­ri­u­mon­der­zoek zijn, dat is soci­ol­o­gisch onder­zoek, psy­chol­o­gisch onder­zoek, dat is vel­don­der­zoek. Ik hoop en ik ga ervan uit dat dat soort onder­zoek niet in vraag wordt gesteld.”

“Ook in het poli­tieke bedri­jf moeten we de weten­schap­pelijke meth­od­es veel meer toepassen dan van­daag het geval is”

Speelt uw ervar­ing als arts en aca­d­e­m­i­ca in het verleden nog steeds een grote rol in de beslissin­gen die u maakt als polit­i­ca?

“Natu­urlijk heeft mijn weten­schap­pelijke vorm­ing mij heel erg beïn­vloed. Kijk, ik zit in een poli­tieke omgev­ing waar beslissin­gen genomen moeten wor­den. Als ik in het par­lement hoor ‘ja, maar ik ken iemand die …’, dan gaat mijn haar recht­staan. Eén casus is sim­pel­weg niet vol­doende om con­clusies uit te trekken. De begin­se­len van de sta­tistiek zijn nut­tig om beleid op te baseren. Helaas, wat zien we van­daag? Dat degene die op Face­book iets zegt, ‘want ik heb dat ergens gelezen’, plots een expert is. Op sociale media wordt soms de groot­ste non­sens verteld. Je moet je infor­matie ergens op aftoet­sen, en dat gebeurt ook in de poli­tiek veel te weinig. Ook in het poli­tieke bedri­jf moeten we de weten­schap­pelijke meth­od­es veel meer toepassen dan van­daag het geval is. In het Europese par­lement (waar De Sut­ter zetelde vooraleer ze min­is­ter werd, red.) zijn evi­dence based pol­i­cy mak­ing, impact­stud­ies en eval­u­aties zeer nor­maal. Die tra­di­tie zorgt er miss­chien voor dat wet­ten er min­der snel door komen, maar het maakt beleid wel een pak grondi­ger. Toen ik min­is­ter werd op het Bel­gis­che fed­erale niveau, ver­won­derde het mij dat dat bij ons min­der gebeurde.”


Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *