We mogen met niks meer lachen


Door

Archief

Onze humor wordt aangevallen, of dat is althans wat een groeiende groep mensen in onze samenleving beweert. 'We mogen met niks meer lachen' keert vaak terug in een hoop opiniestukken en interviews. Maar is het zo dat mensen met alles mogen lachen? En klopt het anderzijds nu echt dat mensen niks meer mogen doen?

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 17/11/2019 – 16:12 door Daan Van Cauwen­berge­Jakob Smet

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

“Een prob­leem is dat debat­ten over humor vaak in absolute ter­men gevo­erd wor­den”, wordt ons verteld door Anke Lion, doc­tor­aatsstu­dente in de Com­mu­ni­catieweten­schap­pen die zich bezighoudt met de span­nin­gen tussen humor en iden­titeit. Zij probeert als humor­spe­cial­ist duidelijkheid te ver­schaf­fen in de huidi­ge dis­cussies over de gren­zen van humor. Vol­gens haar is het een prob­leem dat mensen vaak grote uit­sprak­en doen over humor. Ofwel zeggen ze dat je met alles mag lachen, ofwel dat je met niks meer mag lachen. “Ter­wi­jl humor juist van nature heel con­textueel en meer­duidig is.”

“Het inter­es­sante aan de uit­spraak ‘We mogen met niks meer lachen’ is dat je dat zin­net­je op zo veel ver­schil­lende manieren kan gaan nuanceren en decon­strueren tot er niets meer van overbli­jft.” Daarom besloten we om dat maar eens te doen.

We

Een eerste belan­grijke vraag is wie de ‘we’ pre­cies is als we over com­e­dy spreken. Vlaan­deren kent een vrij wit en man­nelijk com­e­dy­land­schap, op een paar erg bek­ende uit­zon­derin­gen na. Het is inter­es­sant om te bek­ijken hoe die paar uit­zon­derin­gen zich in de wereld van humor bewe­gen en te realis­eren hoe alomte­gen­wo­ordig dat wit en man­nelijk per­spec­tief wel niet is. “Mensen die niet als ‘de norm’ wor­den gezien in de maatschap­pij voe­len soms een bepaalde verwacht­ing vanu­it het pub­liek om kort bij hun aan­wezigheid stil te staan. Het is niet onge­bruike­lijk dat die come­di­ans een momen­t­je van zel­fre­flec­tie inlassen in hun rou­tines. De zoge­naamde ‘ver­plichte’ zelfspot.”

Dat er gren­zen zijn aan humor is vanzelf­sprek­end

“Daar­bij kun je ook wel de vraag stellen waarom die bepaalde dynamiek er is”, ver­vol­gt ze. “Zelfspot wordt alti­jd posi­tief onthaald. Het geeft blijk van goede inten­ties en wordt als authen­tiek­er en grap­piger geë­val­ueerd. Maar toch zijn er ook een aan­tal risico’s aan ver­bon­den. Bij bijvoor­beeld een volledig wit of man­nelijk pub­liek is het alti­jd mogelijk dat ze dat juist gaan zien als een beves­tig­ing van hun vooro­orde­len. Je kan op die manier bepaalde clichés eerder beves­ti­gen dan ontkracht­en. Je ziet dat het bewustz­i­jn daar­rond ook speelt, denk maar aan de show ‘Nanette’ van Han­nah Gads­by.”” De nood tot zelfspot kan daar­door lat­en zien dat de niet-witte, niet-man­nelijke en zelfs niet-het­ero komieken als iets vreemds wor­den gezien. Hun aan­wezigheid moet gele­git­imeerd wor­den.

Mogen

Het is bij dit tweede woord dat mevrouw Lion wijst op het storende effect van de absolute ter­men waarin het debat gevo­erd wordt. “Het pub­lieke debat is vooral bezig met de vraag of we met alles mogen lachen, ter­wi­jl het waarschi­jn­lijk veel rel­e­van­ter is om te vra­gen of we wel met alles moeten lachen.” Anders gezegd verwacht­en de meeste mensen dat ze een soort uni­verseel, alti­jd-geldend antwo­ord zullen vin­den, ter­wi­jl het in de realiteit veel war­riger is. De vraag waarmee we best wel en niet lachen moet steeds opnieuw gesteld wor­den en zal in iedere con­text vast een ander antwo­ord hebben.

Humor kan zow­el bestaande macht­sre­laties beves­ti­gen, als die macht­sre­laties in vraag stellen

Maar ook op de absolute vraag heeft Lion een antwo­ord: “Er bestaan van­daag wel degelijk bepaalde gren­zen op vlak van humor, dus dat er gren­zen zijn aan humor is vanzelf­sprek­end. Enerz­i­jds zijn er natu­urlijk de legale gren­zen: men mag niet aanzetten tot geweld en mag geen uitin­gen geven van nega­tion­isme. Maar er is ook een steeds groeiende belang­stelling voor de ethis­che gren­zen. Die moet je wel zeer sit­u­a­tion­eel en con­textueel bek­ijken. De iden­titeit en achter­grond van de sprek­er, die van het doel­wit, die van het pub­liek, de inten­tie, het medi­um, het socio-poli­tieke kli­maat, enzovoort. Dat speelt alle­maal een rol.”

Humor heeft con­se­quen­ties, dus is het ook logisch dat die con­se­quen­ties niet alti­jd even goed zijn. Zo legt mevrouw Lion uit dat humor heel para­doxale en ambigue gevol­gen kan hebben. “Humor kan zow­el bestaande macht­sre­laties beves­ti­gen, als die macht­sre­laties in vraag stellen. Wan­neer die macht­sre­laties gewoon wor­den overgenomen, ver­val je al vaak in een vorm van humor die wij ‘naar bene­den trap­pen’ noe­men: dat is vaak stereo­type­r­ende humor waar­bij gelachen wordt met de mensen met de laag­ste posi­tie in de sociale hiërar­chie. Dat soort humor beves­tigt mogelijks de vooro­orde­len die mensen al hebben en kan ook een bepaald gedachte­goed gaan nor­malis­eren. Er zijn his­torisch gezien meer dan genoeg voor­beelden van dog­ma­tis­che sys­te­men die mede in stand wer­den gehouden door humor. Zo zijn er de karika­turen van joden in de Weimar­repub­liek of de Min­strel Shows in de VS. Boven­di­en blijkt uit onder­zoek dat veruit de meeste humor nog alti­jd top-down is.”

Met Niks

“Als je ziet hoe pop­u­lair com­e­dy van­daag is en hoe we dagelijks met humor in aan­rak­ing komen, is het idee dat we ‘met niks’ meer kun­nen lachen vrij onterecht”, vult Lion aan. Toch heerst er wat span­ning bin­nen het pub­lieke debat, mede door een ken­merk­ende eigen­schap van com­e­dy. “Humor gaat alti­jd op zoek naar gren­zen. Hoe dichter bij die grens, hoe grap­piger het pub­liek het zal vin­den. Die gren­zen en taboes zijn echter niet een­duidig of voor iedereen het­zelfde. Op die manier kun­nen taboes een reflec­tie zijn van bepaalde span­nin­gen in een samen­lev­ing en hoe die evolueren doorheen de tijd. De ‘poli­tieke cor­rec­theid’ van van­daag kan op die manier ook voor komieken een voed­ings­bo­dem wor­den: grap­pen over de gren­zen van grap­pen.”

Ironie is van een sti­jl­figu­ur geëvolueerd naar een soort lev­en­shoud­ing

Los daar­van bestaat er behalve de ethisch nogal prob­lema­tis­che ‘naar bene­den trappen’-humor ook een vorm van humor die de bestaande orde in vraag stelt. “Humor kan er soms juist voor zor­gen dat mensen in con­tact komen met min­der­hei­ds­groepen en zo een nieuw per­spec­tief leren ken­nen”, aldus Lion. “Humor kan vaak verzach­t­end werken en zo op een zeer effi­ciënte manier een serieuze bood­schap com­mu­niceren. Hier­voor wordt vaak de metafoor van het paard van Tro­je gebruikt. Zoals de Grieken die ver­stopt zat­en in het houten paard, zit er een heel serieuze bood­schap ver­stopt in die erg grap­pige inhoud. Een goed voor­beeld hier­van is bijvoor­beeld de show ‘Nanette’ van Han­nah Gads­by, die daar de com­e­dy volledig decon­strueert om haar punt te kun­nen mak­en.”

Dat humor nog sterk sterk aan­wezig is in onze maatschap­pij zie je vol­gens Lion ook duidelijk duidelijk terugkomen in de poli­tieke sfeer. Vol­gens schri­jver Ilja Leonard Pfei­jfer is ironie van­daag niet enkel een sti­jl­figu­ur, maar soms ook een soort van lev­en­shoud­ing. Denk aan nihilis­tis­che types, die de zak­en niet alti­jd even serieus nemen, maar er graag eens goed de spot mee dri­jven. Door zich op iro­nis­che manier te dis­tan­tiëren van hun uit­sprak­en, kun­nen die mensen zich buiten het maatschap­pelijke debat plaat­sen.” Dit kan ook deel zijn van een poli­tieke strate­gie: “Som­mige politi­ci willen zich graag als humoris­ten pro­fil­eren. Mensen als Trump of John­son hebben een hele hoop eigen­schap­pen die we ook aan komieken zouden kun­nen toeschri­jven. Ze beroepen zich vaak op het recht op vri­je mening­suit­ing, zijn anti-eli­tair, zeer speels en je weet soms niet wan­neer je hen serieus moet nemen. Door die humor te gebruiken, kun­nen ze zich meer dis­tan­tiëren van kri­tiek.”

Meer

Een ander idee is dat de huidi­ge prob­le­men met humor zeer recent zijn. Het geloof dat er iets bij­zon­ders is aan de huidi­ge con­flicten. Vol­gens Lion zien we recent zow­el in de acad­emis­che wereld als de maatschap­pij een groeiende inter­esse in de ethis­che gren­zen van humor, maar ook dit moeten we nuanceren: “Al zolang er com­e­dy is, zijn er ook dis­cussies over de gren­zen van humor.”

Je kunt wel zeggen dat iedereen een gelijke kans heeft om te wor­den uit­gelachen, maar in de realiteit is dat gewoon niet zo

Toch hebben mensen het gevoel dat humor nu plots wordt ingeperkt door min­der­he­den die bew­eren niet akko­ord te gaan met bepaalde grap­pen. “Dat heeft hoofdza­ke­lijk twee oorza­k­en”, zegt Lion. “Sociale media en een veran­derende maatschap­pij. Sociale media hebben in grote mate gezorgd voor een democ­ra­tis­er­ing van het nationale debat. Mensen die al jaren­lang de punch­line zijn van grap­pen hebben nu kans om weer­wo­ord te bieden en daar­door hebben veel mensen nu door dat dat soort grap­pen niet meer kun­nen.” Maar Lion stelt dat dit zek­er geen beperk­ing van vri­je mening­suit­ing is: “De voor­standers van de vri­je mening­suit­ing zouden dit juist moeten aan­moedi­gen. Mensen die lange tijd geen deel waren van de grap, mogen nu wel kri­tiek uiten en rea­geren. Dat is eerder een suc­ces voor de vri­jheid van mening­suit­ing.”

Lachen

Han­nah Gads­by

Dit alles lei­dt tot de con­clusie dat humor hele­maal niet alti­jd zo neu­traal is. We zijn alle­maal geneigd om lachen te verdedi­gen, maar soms werkt humor juist ongelijke sit­u­aties in stand. Lion merkt op dat we vaak ‘inten­tie’ gaan zien als het belan­grijk­ste cri­teri­um om humor te beo­orde­len. “Veel mensen gaan bij con­tro­verse wijzen op de goede inten­ties van een bepaalde komiek. Maar er bestaat geen rechtli­jnige cor­re­latie tussen hun inten­tie en de  de inter­pre­tatie van het pub­liek. Zo blijkt uit onder­zoek bijvoor­beeld dat mensen die met bepaalde opvat­tin­gen willen lachen door die opvat­tin­gen vorm te geven in karika­turen, bij een bepaald deel van het pub­liek juist dat wereld­beeld gaan beves­ti­gen.”

Humor heeft geen spe­ciale sta­tus als een vorm van com­mu­ni­catie waarin alles mag.

Ondanks deze mogelijkheid tot mis­in­ter­pre­tatie moet Lion ook wel con­clud­eren dat mensen als Alex Agnew bijvoor­beeld juist heel pop­u­lair zijn bij mensen met een migratie-achter­grond. “Ze hebben het gevoel dat ze hem ken­nen en dat hij met iedereen even­veel lacht. Dat noe­men we in de vak­lit­er­atu­ur de ‘equal oppor­tu­ni­ty offend­ers strat­e­gy’. Ze schat­ten dus zijn inten­ties zeer posi­tief in. Maar niet iedereen is Alex Agnew. In het dagelijkse lev­en kun­nen mensen die inten­ties veel min­der goed inschat­ten.” Al wil Lion eraan toevoe­gen dat ze toch vin­dt dat ook deze strate­gie soms mis­lei­dend kan zijn: “Je kunt wel zeggen dat iedereen een gelijke kans heeft om te wor­den uit­gelachen, maar in de realiteit is dat gewoon niet zo. Bepaalde groepen zijn alti­jd aangepakt geweest met bepaalde stereo­typen en zijn daar dan ook kwets­baarder voor.”

Kor­tom, humor geni­et vaak een spe­ciale sta­tus in de samen­lev­ing, maar is op som­mige vlakken ook gewoon een com­mu­ni­catievorm zoals een ander. Het is mul­ti­func­tion­eel en kan posi­tieve en negatieve gevol­gen hebben. De notie dat we met alles zouden moeten kun­nen lachen, omdat humor intrin­siek ‘posi­tief’ is, kan men dus deels nuanceren en moet steeds in zijn con­text bekeken wor­den.


Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *