Wat is uw persoonlijke invulling van de term ‘polarisatie’?
“Een kleine twee jaar terug is mijn boek ‘We informeren ons kapot’ verschenen en daarin heb ik de definitie gebruikt dat polarisatie betekent dat je alle conflicten die er zijn in de samenleving herleidt tot één grote breuklijn. We zijn het vaak over duizenden dingen eens en oneens. En wat je soms ziet, is dat eigenlijk al die andere conflicten vergeten dreigen te worden. We doen dan alsof er maar één conflict overblijft, dat ons dan in twee kampen verdeelt zoals voor of tegen vaccins.
“Vandaag lijkt het wel alsof protest op zich bijna als verdacht of gepolariseerd wordt beschouwd. Terwijl dat in een democratie legitiem is” – Ignaas Devisch
Ik vind dat we soms de term te snel gebruiken: niet elk heftig debat hoeft per se polariserend te zijn. Het is gepolariseerd als we er niet meer in slagen om te luisteren naar de overkant en als we doen alsof er maar één conflict meer overblijft. Cofnas heeft bijvoorbeeld dit effect binnen de universitaire gemeenschap. ‘Ik ben tegen, maar’ of ‘ik ben voor, maar’ krijgt geen kans meer. Je moet ofwel in het pro‑, ofwel in het contrakamp zitten.”
Is polarisatie de afgelopen jaren veranderd?
“Bij studenten zie ik dat niet. Ik ben heel hoopvol over de huidige generatie studenten. Ondanks de moeilijke tijd vind ik dat studenten zich vrij goed overeind houden. Dat kan wel betekenen dat een aantal thema’s gevoeliger zijn geworden, maar dat heeft ook te maken met de opgehitste sfeer in de samenleving.
Uiteraard kunnen studenten best fel zijn, maar als ik het vergelijk met de jaren zestig – althans wat ik daar over heb gelezen en gehoord – was het toen veel feller. Vandaag lijkt het wel alsof protest op zich bijna als verdacht of gepolariseerd wordt beschouwd. Terwijl dat in een democratie legitiem is. Ook studenten mogen dus opkomen voor hun mening. Ze zijn daarom niet gepolariseerd; ze zijn het gewoon gloeiend oneens met wat hier gezegd wordt.”
En helpt sociale media daarbij?

“Je merkt wel dat daar toch een enorm potentieel in zit in termen van het delen en verspreiden, op pakweg 24 uur, van een totaal verzonnen bericht. En zeker als mensen al met een angst zitten, dan heeft dat een enorme impact. En eens ze daarin geloven, is het heel moeilijk om hen daaruit te krijgen. Als wetenschapper is het dan moeilijk om te zeggen dat het niet klopt wat men beweert. Je moet eerst voorbij de emotionele laag raken, want het gaat om vertrouwen.
Ik heb het in mijn boek zo beschreven: we moeten niet minder, maar meer ruzie maken en over meer verschillende dingen. Om te beseffen dat we het over veel dingen wel eens zijn en ook over andere dingen oneens. En dan zullen we merken dat we misschien zelfs nog andere breuklijnen of overeenkomsten hebben. Als het echt gepolariseerd is, dan doen we dat niet meer en dan zit je echt met die fameuze twee kampen.”
Vindt u het discours rond Cofnas ongemakkelijk?
“Wanneer hij bijvoorbeeld een microfoon krijgt in een podcast, vind ik dat zeer verontrustend. Een aantal van zijn uitspraken gaan zonder meer aanzetten tot haat en discriminatie. Daar heb ik het ontzettend moeilijk mee. Ik maak me ook zorgen om zijn netwerk waartoe hij behoort. Dat netwerk heeft duidelijk de bedoeling om ideeën te legitimeren. Dat doet het door mensen als Cofnas aan een universiteit binnen te krijgen. Als democraat maak ik me daar zorgen om.
Ik vind wel dat alles onderzocht moet kunnen worden aan de universiteit. We mogen geen enkele vraag uit de weg gaan. Maar de vraag blijft wat hier de bedoeling is: academisch onderzoek doen of politieke infiltratie? Wetenschap is sowieso veelstemmig, ook in de bewijsvoering. Hoe complexer je studie-object, hoe minder kwantitatief je uitleg of eenduidig je evidentie zal zijn. Daarom is de grens tussen wetenschap en pseudowetenschap soms flou. Ik vind het zeer belangrijk dat we die zo goed mogelijk proberen aan te duiden. Het is ook niet zo dat als een onderzoek niet om te zetten is in cijfers, het dan onwetenschappelijk is.”
U bevindt zich op die lijn tussen wetenschap en filosofie. Vindt u dat rassenwetenschap als onderwerp thuishoort binnen de filosofie?
“Er is een zekere traditie in de wijsbegeerte richting de levenswetenschappen, ook de biologie. Het is niet dat die domeinen niets met elkaar te maken hebben. Alleen, het specifieke onderzoek waar Cofnas in vertoeft, lijkt me eerder in de vakgroep genetica thuis te horen, want daar zou hij zich toch moeten toe verhouden. Ik denk niet dat de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen noodzakelijk de beste plaats is om er onderzoek naar te doen, al vermoed ik dat de andere vakgroepen niet meteen vragende partij zullen zijn (lacht).”
Vindt u dat er een correlatie tussen erfelijkheid en intelligentie zit? Denkt u dat er onderzoeksmogelijkheden in zijn?
“Onlangs stond daarin een mooi stuk in De Standaard van een aantal genetici met een heldere conclusie: ‘Ons DNA is een mozaïek van ontelbare voorouders, migraties en vermengingen. Wie er rassen in leest, leest iets wat er niet staat.’ Ik heb daar niets aan toe te voegen en ik ben geen expert. Ik probeer onderzoek te doen binnen mijn eigen vakgebied. Dat is al breed genoeg.
“Ik heb het in mijn boek zo beschreven: we moeten niet minder, maar meer ruzie maken en over meer verschillende dingen” – Ignaas Devisch
Mijn vraag luidt eerder: waarom gaat Cofnas niet in debat met humane genetici? Of waarom worden die niet uitgenodigd in praatprogramma’s als het daarover gaat? Dat zijn de vragen die we moeten stellen.”
Met welke maatschappelijke problemen houdt de medische ethiek zich vandaag de dag ongeveer bezig?
“Om te beginnen met heel veel. De interesse is enorm gegroeid. Dat heeft onder meer te maken met de spectaculaire revolutie van technologische mogelijkheden op het medische domein. Steeds meer van de ethische debatten gaan over de gevolgen daarvan: ‘Tot hoe ver gaan we?’, ‘Vanaf welke week gaan we prematuren redden?’, ‘Tot wanneer is het leven rekbaar en wie bepaalt dat?’ en alles ertussenin. En wat voor mij als filosoof het leukste is, is dat zij (de medische wereld, red.) met de filosofische vragen afkomen. Die moet ik niet uitvinden. Wat is de grens tussen normaal en ziek zijn? Is elke afwijking in het menselijk lichaam ook een ziekte of is het gewoon een afwijking?

Ik heb mij altijd beziggehouden met de taaie en abstracte auteurs, maar het is zeer fijn om die vandaag ook in debatten te kunnen gebruiken. Ethiek en filosofie leven meer dan ooit, ook in het publieke debat. In het begin van mijn carrière, toen ik opiniestukken begon te schrijven, werd ook de vraag gesteld: ‘Waar houd jij je nu eigenlijk mee bezig?’ Naast mijn wetenschappelijke publicaties vind ik het echter belangrijk om ook uit te leggen aan mensen die niet de luxe hebben gehad om ermee bezig te zijn waar ik mee bezig ben. Dat vind ik een absoluut privilege. Ik zit in mijn speelgoedwinkel, ik amuseer mij rot.
Het is ook altijd fijn om met anderen erover in gesprek te gaan. En als je in gesprek gaat en je schraapt dat vakjargon er wat af, dan wordt duidelijk wat filosofie uiteindelijk ook is: een vraag waar men eigenlijk niet van weet hoe men ermee om moet gaan. Dan kan ik denkkaders aanreiken en we kunnen in gesprek gaan. Dat vind ik enorm boeiend. Ik zou niet weten waarom dat alleen met mijn vakgenoten zou moeten. Tuurlijk ga ik naar congressen en publiceer ik in vaktijdschriften. Tegelijk leer ik heel veel bij van mensen die met heel moeilijke vraagstukken naar me toe komen, zoals mijn studenten.”


Een reactie achterlaten