Gent heeft een rijke geschiedenis: van de graven van Vlaanderen tot nu. De ene rode draad? Textiel. Van de middeleeuwen tot de helft van de 20e eeuw was dat de drijvende kracht achter de Gentse economie.
Laken, laken en nog eens laken
De Gentse textielgeschiedenis begint in de vroege middeleeuwen. In de hele wereld is laken, een soort geweven wollen stof, gegeerd. De Lage Landen werden al snel de regio waar de stof gemaakt werd. Gent was rond de helft van de 13e eeuw uitgegroeid tot een regelrecht lakenwalhalla, en dat bracht ook flink wat geld in het laatje.
Die inkomsten stonden op de helling toen de Engelse koningen de wolexport wilden gebruiken als politiek drukkingsmiddel tijdens de Honderdjarige Oorlog. Dat viel niet in goede aarde bij de Gentenaars, want de grondstof voor Vlaams laken was Engelse wol. Jacob van Artevelde startte een opstand en slaagde erin om de Engelse wolexport naar Vlaanderen te laten hervatten. Zo spaarde hij de lakennijverheid en Gent van een pijnlijk lot.
Om die nalatenschap te eren, kwam Artevelde in de 19e eeuw terug in het Gentse straatbeeld. Hij is vereeuwigd op de Vrijdagmarkt waar hij statig wijst naar Engeland. Sinds 2000 is de Arteveldehogeschool ook vernoemd naar de lakenhandelaar en opstandeling.
Spionage voor het Gentse doel
Dankzij de industriële revolutie herleefde de Gentse textielindustrie. Machines maakten het mogelijk om op grote schaal stoffen te produceren. Die machines waren ontwikkeld in Engeland en om zijn eigen voorsprong niet te verliezen, verbood het land de uitvoer van machines of de plannen ervoor.
Dat was buiten de Gentse ondernemer Lieven Bauwens gerekend. Hij ontpopte zich tot regelrecht industrieel spion. Hij smokkelde een spintoestel vanuit Manchester naar Gent en zo geschiedde: de Arteveldestad werd een 'tweede Manchester' en de textielindustrie herleefde. Ook dit icoon van het Gentse textielverleden kreeg een standbeeld op een plein dat naar hem vernoemd werd.
Het Gravensteen: van graven naar beluik
De stad groeide al snel uit tot een regelrecht industrieel centrum. Maar waar zaten al die fabrieken dan? Onder andere in historische gebouwen, zo blijkt. Kerken die opgeëist werden door Napoleon, werden omgebouwd tot weverijen. Ook het Gravensteen, nu het icoon van Gent, ontsprong de dans niet. In het begin van de 19e eeuw werd de burcht omgebouwd tot katoenspinnerij en bood ze onderdak aan ongeveer vijftig arbeidersgezinnen.
Het plan was om het bouwvallige Gravensteen te slopen en de grond te verkopen
De Gentse toeristische trekpleister bij uitstek is dat dus niet altijd geweest. Toen de fabrieken aan het eind van de 19e eeuw uit het stadscentrum vertrokken, was het plan om het bouwvallige Gravensteen te slopen en de grond te verkopen. De reden dat we nu nog een middeleeuwse parel in de stad hebben, is het resultaat van brute pech. Niemand was geïnteresseerd in de grond. Het stadsbestuur en de staat sloegen de handen ineen om de grond te kopen en het gebouw te renoveren. Al die toeristen en schooluitstappen om foltertuigen te bewonderen hebben we dus te danken aan het feit dat niemand het Gravensteen wou kopen.

Reactie toevoegen